Sinds een jaar of drie woon ik in de prachtige Haagse wijk Kortenbos, van oudsher een volkswijk. De volkse sfeer is niet verloren gegaan. Bij gebrek aan zon in de tuin op het noorden zitten mijn buren op klapstoeltjes voor de deur. Buurtbewoners stoppen en maken een praatje. Mensen wiens koppen hun niet aanstaan krijgen het te horen. Altijd met een lach, dat dan weer wel. De buren zoeken elkaar op om samen op elkaars balkon “een saffie” te doen. De buurman die hoogstpersoonlijk een leafblower bezit beperkt zich nooit tot zijn eigen voordeur, maar is zo vriendelijk de stoepjes naast hem ook schoon te blazen.
Hoewel ik een beetje schichtig was toen ik hier net kwam wonen (na mijn studentenhuis wilde ik niks meer te maken hebben met medebewoners), hoor ik er inmiddels helemaal bij. Van mijn buurjongetje krijg ik in de winter liefdevol een sneeuwbal in mijn nek. Als ik rokend voorbij slenter waarschuwt mijn buurman mij – met een sigaret in zijn mondhoek – dat roken dodelijk is. En toen ik onlangs al grommend en tierend mijn kapotte stofzuiger naar de berging bracht, bood mijn buurvrouw mij haar een van haar twee reservestofzuigers aan, voor de heb. Ik heb haar met maar liefst twee dozen Merci bedankt.
Kortom, ik woon in een hecht buurtje met een sterke sociale controle (“Jij houdt het hier al lang uit hè, de bewoners vóór jou waren met een half jaar pleiten!”). Ik snap dan ook niet hoe het mogelijk is dat de buurt omkomt van de hondenkak. De hond is hét huisdier in de wijk, dat wel. Mijn buurman – type breed, groot en kaal met oorbel – heeft twee kleine witte keffertjes. Mijn achterbuurmeisje heeft zo’n groot geval dat tot voor kort gemuilkorfd door het leven moest gaan. Af en toe komt er een Jack Russell langs gerend die zichzelf lijkt uit te laten. “Ja, die is van die vrouw hierachter, die is helemaal waus”, roept mijn grote, kale buurman dan hoofdschuddend naar me. Hij op de begane grond, ik op de eerste verdieping.
De gemeente weet dat deze buurt houdt van de trouwe viervoeter en heeft dan ook drie hondenveldjes ingericht, waar de schijt niet eens per se met het bekende plastic boterhamzakje opgeruimd hoeft te worden. De veldjes zijn strategisch verdeeld over de buurt en iedere bewoner kan één van de veldjes binnen enkele stappen bereiken. De baasjes mogen hun honden er zoals gezegd vrij laten poepen, zonder de warmte van de drol door het plastic te hoeven voelen stralen.
Toch blijkt de vijftig meter hemelsbreed naar een van de veldjes helaas een onoverbrugbare afstand, want het is een waar mijnenveld hier voor de deur. Wellicht kunnen de arme honden hun drol echt niet meer binnenhouden en valt de baas – die heus van goede wil is – niet veel te verwijten.
Gelukkig houdt de gemeente ook hier rekening mee. Meerdere keren per week komt er een “mannetje” voorbij, op een poepstofzuiger. Als ik op mijn balkonnetje in de zon een nieuw stukje zit te tikken waarmee ik weer geen stuiver verdien, mijmer ik er wel eens over. Mocht het in de journalistiek niet lukken, dan word ik poepstofzuigerchauffeur... Shit, dan moet ik wel nog mijn rijbewijs halen!
[gastblogger Simone Olsthoorn (1985) is historica en journalist]
[gastblogger Simone Olsthoorn (1985) is historica en journalist]

Wat kan je toch schrijven Simone!Je hebt alles zo goed beschreven en op zo'n ironische toon, dat ik het gevoel had naast je te staan!
BeantwoordenVerwijderen