zaterdag 30 april 2011

Tussen kut en kitsch: de verwording van de vrijmarkt door Renée




Het is 30 april 2011. De vrijmarkt van Koninginnedag is wederom verder opgerukt. Bevond deze zich bij ons in de buurt een aantal jaar geleden alleen nog op de Frederik Hendriklaan, kortweg “De Fred”, nu heeft ze ook de Aert van der Goesstraat overmeesterd. Nog even dan zal ook de stoep voor onze gevel eraan moeten geloven en volgeplempt worden met rotzooi die ik nog niet open en bloot naast mijn vuilniszak zou durven neerzetten. Volwassen mensen - met de nadruk op volwassen - vinden hun spulletjes – en hun veroverde plekje natuurlijk – zelf echter belangrijk genoeg om deze de hele nacht voorafgaande aan het feest met gevaar voor eigen leven te bewaken.

Dat de buurt voor een dag wordt omgetoverd in een afvalberg moet kunnen. Daar stoor ik me niet aan. Tenslotte wordt de rotzooi ’s avonds weer keurig door de gemeentelijke vuilophaaldienst opgehaald. Wat ik echter wel erg vind, is het feit dat deze oorspronkelijk voor kinderen bedoelde markt vrijwel integraal is overgenomen door volwassenen. En dan niet eens alleen door particulieren die ongegeneerd geld durven vragen voor hun rommel, maar ook door professionele (vlooien)marktkoopmannen, c.q. –vrouwen, die hun dikke konten voor de gelegenheid in knaloranje leggings hebben gehuld en op hun appelwangen de Nederlandse vlag hebben aangebracht.

Dat datgene wat ooit een kinderparadijs was, is verworden tot een regelrechte tokkiemarkt, is mij een doorn in het oog.

Ook vandaag ploeg ik mij noodgedwongen door een onafzienbare brij van (vermoedelijk onwelriekende) afgetrapte schoenen, vervilte truitjes en versleten jeans, verwassen huidkleurige beha’s en korsetten, ingedeukte aluminium pannen, ooit op de kermis gewonnen monsterlijke pluchen beesten, afzichtelijke Blokker schaaltjes en kommetjes, meubelboulevardlelijke kapstokken, oude TV-toestellen… tot aan koelkasten en gasovens toe (!) waarvoor men niet eens de moeite heeft genomen ze een sopje te geven alvorens ze te koop aan te bieden. Een en ander omlijst door het oorverdovend lawaai van de kermis...


woensdag 27 april 2011

Zij zijn groot en ik is klein, en da’s niet eerlijk! door Simone O


Oh, oh, Den Haag. Mijn mooie stad achter de duinen. Hoe komt het toch dat wethouders jouw aandoenlijke kleinschaligheid niet lijken te waarderen? Waarom moet deze kneuterig aandoende en hierdoor juist zo bijzondere Gravenstad – tot eind achttiende eeuw officieel een dorp – toe naar de eenheidsworst die “metropool” heet? Waarom moet ik toch altijd aan Calimero denken als ik hier om me heen kijk?

Als ik door mijn stad fiets, raak ik afwisselend vervuld van een gevoel van gelukzaligheid en een van moedeloosheid dat mij meewarig het hoofd doet schudden. Als ik langs de Bijenkorf stuif, krullen mijn lippen als vanzelf in een glimlach. Ik geniet als ik over de steentjes op het Binnenhof hobbel en opkijk naar de Ridderzaal, dat schattige kasteeltje. Ik ben zielsgelukkig als ik bij windkracht vijf de havenhoofden oploop de onstuimige zee in, langs stoere vissers die de elementen altijd weer trotseren.

Maandenlang heb ik me geërgerd toen het plein voor Den Haag Centraal een groot, gapend gat was, omdat er weer een nieuw, megalomaan project uit de grond had moeten verrijzen. Ik wind me op als ik opkijk naar het Strijkijzer – een prachtig appartementsgebouw, maar broeinest van criminaliteit vanwege de absurd gekozen locatie. Verreweg de meeste gefronste blikken kunt u van mij echter verwachten in Chinatown, een verzamelbegrip voor twee armetierige straten met Chinese negoties die door de gemeente worden beschouwd als belangrijke toeristische trekpleister.

dinsdag 26 april 2011

Groene voeten door Renée



Give that horse a shoo…!”

… “On which foot?” 


Dit ultrakorte komische dialoogje tussen mijn man, toen nog vriend, en een campingeigenaar en paardenfokker vond heel lang geleden plaats in Wales, waar we kampeerden na liftend dwars door Engeland te zijn getrokken. De opdracht was niet om het paard een schoen aan te trekken of er een hoefijzer bij aan te brengen, de schrijfwijze geeft dat al aan, maar simpelweg om hem weg te jagen bij de tenten… Een Engels equivalent dus van ons ‘ks, ks’. 

Maar hoe kom ik hierop, 40 jaar na dato? Tja, waarschijnlijk omdat ik nooit iets vergeet wat - hoe zijdelings ook - met schoenen te maken heeft. ...

Lees verder op My Favourite Shoes

maandag 25 april 2011

Schamper door Anne






Dit is wat er gebeurde. Het was een uur of acht ‘s avonds, nog licht, het asfalt gaf ons de warmte van de dag terug. Mijn alter ego en ik wandelden over de laan die langs de duinen loopt. Het was er uitgestorven. Tot wij iets verderop een auto uit België ontwaarden, die zojuist zijn parkeerplaats verliet. Halverwege de manoeuvre werd hij gestopt door een groep chocolazwarte Afrikanen die uit het niets waren opgedoken. In de auto was ook iedereen zwart. Alles bij elkaar zo’n tien personen, de helft volwassen, de andere helft kind. Ze droegen kleurrijke kleding, kwamen waarschijnlijk van het strand. Het was een vrolijk tafereel. De auto stond nu midden op de rijweg en van tegenoverliggende richting kwamen twee slagroomwitte Nederlanders aangefietst. Man en vrouw, beiden halverwege de vijftig. Zij moesten iets uitwijken. Vrouw draait zich om, ziet de B op de wit met rode kentekenplaat en zegt schamper: Bulgaren.

Het gesprekje dat zich vervolgens tussen mijn alter ego en mijzelf ontvouwde, ging als volgt. 



Alter ego (ook schamper): “Wildersstemmers.”
Ik: “Kan niet anders. Maar wat denk je, zouden er überhaupt Zwarten in Bulgarije wonen?”
Alter ego: “Ze denkt waarschijnlijk dat Bulgarije in Afrika ligt.”
Ik: “Daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben. Kreun. Wat als wij deze vrouw nu eens een inburgeringsexamen laten afleggen, zou ze slagen?”
Alter ego: “Nee.”
Ik: “Moeten we haar dan het land uitzetten?”
Alter ego: “Graag.”
Ik: “Maar waarheen?”
Alter ego: “Bulgarije?”
Ik: “Maar stel dat de vragen van het examen over pindakaas gaan, Linda de Mol of, tja, wat is er nog meer typisch Nederlands. Bijvoorbeeld, hoe bereid je poffertjes.”
Alter ego: “Dan slaagt zij en jij zakt.”
Ik: “Lastig hè, samenleven.”

Trauma door Rebecca







‘Het wordt tijd om een beha te gaan kopen’ zei mijn moeder. Ik was 14 en wist dat dit moment er aan zat te komen omdat tijdens de gymnastieklessen de boel aardig mee hopste onder mijn trui. Leuk vond ik het niet. Nu kon ik helemaal geen jongensdingen meer doen met mijn broers. Er werd een tijdperk afgesloten.

Op een druilerige woensdagmiddag slofte ik, in die voor pubers zo typisch onwillige houding, achter mijn moeder aan. We zouden naar Hunkemöller Lexis (zoals Hunkemöller vroeger voluit heette) gaan op de Fred in Den Haag. In de winkel stond een mevrouw met een enorme voorgevel en een meetlint om haar nek ons op te wachten.
Mijn moeder wees naar mij en zei dat ik een beha nodig had. “Dat zie ik ja’ zei de mevrouw met het meetlint zuinigjes, nadat ze een blik op mijn borsten had geworpen. Ik voelde me enorm bekeken, had het gevoel dat mijn borstomvang in een paar seconden een halve meter was toegenomen en werd nog chagrijniger dan ik al was.

‘We gaan eerst maar eens kijken welke maat het gaat worden’ zei het meetlint. Ik moest mijn jas uitdoen en in de volle winkel werd mijn omvang opgemeten. De uitslag was maat 70A. De mevrouw zocht wat beha’s bij elkaar, duwde die mij in mijn handen en verwees me naar het pashokje achter in de winkel. Mijn moeder nam keurig plaats op het tuttig krullerige stoeltje voor het pashok. Ze wist dat ik sinds een jaar verschrikkelijk preuts was geworden. Zelfs als ik mijn tanden ging poetsen deed ik de badkamerdeur op slot.




zaterdag 23 april 2011

Rancune... door Renée



My temper would perhaps be called resentful…’

…aldus Mr Darcy in Jane Austen’s Pride and Prejudice als antwoord op Elizabeth Bennet’s sarcastische vraag of hij inderdaad ‘a man without fault’ is.

Uiteindelijk blijkt Mr Darcy zichzelf schromelijk te kort te doen. Hij is namelijk allesbehalve rancuneus! Hij slikt zijn verontwaardiging om het blauwtje dat hij bij Elizabeth Bennet heeft gelopen in en redt haar familie ‘sans rancune’ - en zonder de bedoeling zich erop te laten voorstaan - van de ondergang…

Geen wonder dat hij een van mijn literaire helden is, want ik heb een bloedhekel aan rancuneuze mensen. Rancuneuze mensen zijn in staat je jaren na dato nog een of andere faux pas - hoe triviaal ook – voor de voeten te gooien. Te pas en te onpas blijven ze je iets inpeperen, waarvan je zelf eigenlijk allang bent vergeten hoe het ook alweer zat. Soms sta je versteld van de energie die mensen steken in het onthouden en eindeloos herhaald uiten van alles wat hen ooit is aangedaan en door wie.

Naast de extreme gevallen die erop los gaan schieten als het hun te veel wordt, of in hun frustratie een hele bevolkingsgroep verkettert en beschimpt, putten rancuneuze mensen uit een schier eindeloze bron van methoden om hun wrok en verbittering tot uitdrukking te brengen: ze zetten hun slachtoffers publiekelijk voor schut, ze verspreiden roddel en achterklap en deinzen er niet voor terug regelrechte leugens te verkopen om anderen tegen hun slachtoffer op te zetten. En dat alles met het doel te kwetsen, te intimideren, kortom om het voorwerp van hun frustratie klein te krijgen en/of zich hevig schuldig te laten voelen. Hieruit put de rancuneuze mens zijn twijfelachtige vreugde, en het enige echte vermaak voor hem is leedvermaak.

Maar…

vrijdag 8 april 2011

Ouders, pas op voor de boze wolf door Anne






We gaan het hebben over de kindertijd. Pardon? De kindertijd. Wat bedoel je? Juist, dát bedoel ik, heeft een kind nog wel tijd een kind te zijn. Als je er op je dertiende al lustig op los neukt, wat verschil je dan nog met je tien jaar oudere evenknie, de volwassene? Nou ben ik niet bepaald een moraalridder, en ik zou zeggen, neuk maar rustig verder, ware het niet dat ik meelij heb. Dat ik bang ben dat het kind dan waarschijnlijk ook al heel vroeg is uitgeneukt. Tien jaar eerder in de penopauze, tien jaar eerder depressief, tien jaar eerder impotent en tien jaar eerder een burn out: is dit het nou? Moet ik zo nog 150 jaar voort? Want tja, we worden ook steeds ouder. Waarom dus deze haast?????

Maar hier wilde ik het eigenlijk helemaal niet over hebben. Terug naar de kindertijd. Voor zover die dus nog bestaat. En naar het kind. Het kind dat zo langzamerhand een bedreigde diersoort lijkt. Het loopt gevaar. En niet alleen van binnenuit, door het hierboven beschreven gedrag. Er loert vooral gevaar van buiten.  En dan heb ik het niet eens over misbruik binnen de katholieke kerk, gefriemel aan kindjes in de crèche, de handel in kinderporno, de loverboy. Nee, ik praat over een verborgen gevaar, een wolf in schaapskleren: de platenindustrie. Net als de priesters van weleer misbruiken de platenbonzen kleine 15-jarige jongetjes. Niet seksueel, bewaar me, misbruik kan op vele niveaus plaatsvinden.
Justin Bieber. Het jongetje met net zoveel talent als mijn grote teen. En ik verzeker u, veel meer dan een fractie van mijn gewicht dragen, kan die niet. Natuurlijk is er al veel over Justin geschreven. Maar het kan nooit genoeg zijn. Nu ben ik aan de beurt.

NRC Columnist Frits Abrahams heeft al een voorzetje gegeven. "Justin, een soort Heintje van weleer, maar met aanzienlijk minder talent." En: "Bieber is geen jongen van vlees en bloed, het is een robotje, uitgevonden door handige zakenmensen en slimme reclamejongens." Over wat dit voor de jongen in kwestie betekent, zwijgt Abrahams. Dat laat hij aan de fantasie van de lezer over. Maar ik betwijfel of die wel over voldoende fantasie beschikt. En daarom ga ik u er een handje bij helpen.

Uniseks, om je zintuigen bij te verliezen… door Rebecca


De dag dat ik 40 werd ontving ik een proefnummer van een tijdschrift waarvan ik de naam godzijdank vergeten ben. Bij het tijdschrift zat een persoonlijk aan mij gericht schrijven. Ik werd hartelijk gefeliciteerd met het behalen van deze mijlpaal. Ook werd mij medegedeeld dat ik nu de leeftijd bereikt had waarop de kinderen het huis zouden gaan verlaten en eindelijk kon gaan genieten van een welverdiende oude dag. Omdat ik vond dat ik nog very hip and happening was, voelde ik me hierdoor zwaar beledigd. Het tijdschrift heb ik dan ook linea recta retour afzender gestuurd, vergezeld van een bijzonder kwade brief.

De foto op de voorkant van het tijdschrift staat helaas in mijn geheugen gegrift. Hierop stond een walgelijk gezond echtpaar te glimmen tussen de boterbloemen. Ze hadden een identieke fiets, bril, kunstgebit, windjack en kapsel. Ik herinner me die foto zo levendig omdat dat uniseks beeld mij de ultieme nachtmerrie lijkt. Je ziet aan zo'n foto namelijk duidelijk een uitgeblust seksleven, brood en soep op zaterdag en een Kip caravan af.

Die uniseks-look is blijkbaar wel wat de maatschappij verwacht van de actieve oudere medemens. Of het nu om een reclame gaat voor Kukident, Nordic-walking stokken of speciale vitaminepreparaten voor de 50-plusser: altijd zie je weer diezelfde seksloze types. Vlees noch vis, man noch vrouw.

Zou het misschien iets te maken kunnen hebben met het feit dat onze hippe reclamemakers een beetje bang worden bij het idee dat ouderen ook nog wel eens gezellig tussen de lakens duiken? Dat ze dan hetzelfde weeïge gevoel in hun maag krijgen dat ik had toen ik twaalf was en er achter kwam 'hoe de kindertjes gemaakt worden'? Het is maar een hypothese, maar ik ben zo arrogant te veronderstellen dat ik niet ver van de waarheid af zit.

[Rebecca van Putten schrijft ook op de Overgangstergirls en Amsterdam Centraal en probeert wanhopig een boek te schrijven.]

dinsdag 5 april 2011

Helemaal klaar met de panda door Simone O



Weinig mensen zullen het met me eens zijn, maar het moet nu maar eens afgelopen zijn met de panda. De mens heeft veel kommer en kwel teweeg gebracht op aarde, heeft veel flora en fauna doen uitsterven (ik keur het niet goed, maar de dodo had gewoon beter van zich af moeten bijten), heeft hectaren en hectaren prachtige natuur verwoest, maar de panda? Die bestaat nog dankzíj de mens. Als je een beest porno moet voorschotelen in de hoop dat ie zich nu toch eindelijk een keer zal voortplanten, is er iets mis met het genetisch gestel van het dier. Als een tientonner ervoor kiest om van het minst voedzame eten ter wereld te leven, waar hij dus ettelijke hectaren per dag van nodig heeft, is er in de evolutie iets mis gegaan.

De panda behoort taxonomisch gezien tot de orde van de roofdieren. Terwijl het beest vlees zou moeten eten, kiest het ervoor om te leven van bamboe. Het spijsverteringsstelsel van het dier kan de plant niet goed verteren, waardoor een panda een half etmaal bezig is met eten. Dat laat weinig ruimte over voor nuttige ontwikkelingen lijkt me. De panda is geen sociaal dier. Het is een einzelgänger die hoogstens een keer per jaar op zoek gaat naar een partner om een babypandaatje te verwekken. Terwijl de mens niet kan vertrouwen op het aloude middel van periodieke onthouding, is een vrouwtjespanda maar één keer per jaar, voor 12 uur ontvankelijk. De vrouwtjespanda wijkt in nog iets af van haar menselijke tegenhangster: ze is erg kieskeurig. Waar wij – als de eierstokken beginnen te rammelen – met de eerste de beste spermadonor genoegen nemen, haalt de panda haar neus op voor de kleinste imperfectie. Het pandamannetje vindt die kieskeurigheid wel best. Ook deze vertoont namelijk grote verschillen met de menselijke evenknie: een opvallend klein geslachtsorgaan (goed, dat is wellicht een overeenkomst) en een bijzonder laag libido maken dat voortplanting niet hoog op de agenda staat. Het mensenmannetje daarentegen denkt de hele dag aan seks, en steekt zijn geslacht het liefst zo vaak mogelijk in zo veel mogelijk verschillende mensenwijfjes. Is een pandastelletje dan eindelijk bereid tot “de daad” over te gaan, blijken de achterpoten van het mannetje vaak te zwak om zijn kleine lid in de buurt van het vrouwtje te kunnen houden. Kortom: erg gemotiveerd om de eigen soort in stand te houden is het beest niet.



What's in a Name door Anne







Drs Marianne’s Engels is onder de maat, zegt mijn medeblogger. Jammer, zeg ik, maar niet onoverkomelijk. Veel ernstiger vind ik de verkeerd gekozen naam van haar mooie partij. Een partij, waarvan ik door louter toeval eindelijk het gedachtegoed en de filosofie erachter heb leren kennen. Een gedachtegoed, dat in één klap het fabeltjeskrant imago van de Partij voor de Dieren onderuit haalt. Waarom toch, Marianne, waarom die stomme naam? Een naam die je ervan weerhoudt uit te vissen waar de partij voor staat. En dat vind ik dus nogal irritant. Zonde van al die verloren stemmen. De gemiddelde burger, zoals ik, interesseert zich maar tot op bepaalde hoogte voor politiek. Partijprogramma’s worden zelden gelezen, we moeten het hebben van een debatje op TV, een achtergrondverhaal in de krant. Wat Marianne Thieme betreft: vaak spreekt zij geëmotioneerd over halszaken die m.i. ook door Groen Links worden omarmd. 
Wat mij dan tot de logische vraag brengt: waarom nog die tweezetel partij erbij, waarom geen fusie?

Tot ik Rob Wijnberg’s “En mijn tafelheer is Plato” las. Hij wijdt een heel hoofdstuk aan de Partij voor de Dieren, maakt duidelijk waar zij voor staat.
Voor het geval dat u het boek van Wijnberg niet gelezen hebt en het gedachtegoed van de partij u niet bekend is, volgen hier enkele grondgedachten. Om u een idee te geven.

- Hoe de natuur ‘werkt’, zou leidend moeten zijn voor het menselijk handelen
- Achterliggende filosofie: het ecologisme, een biocentrische ideologie. M.a.w. Niet de mens, maar de natuurlijke orde waarvan hij deel uit maakt, wordt centraal gesteld. (dit gegeven staat lijnrecht tegenover de overige politieke ideologieën)
- Een holistische benadering wordt gehanteerd: de natuur wordt beschouwd als één groot samenhangend geheel, waarin de mens een positie heeft die niet wezenlijk verschilt van die van andere organismen
Dit is slechts om u te prikkelen, er is nog veel meer. Lees Wijnberg of Thieme’s programma er maar op na.

Maar nu komt het. 


zondag 3 april 2011

Serious Money Taken Seriously... door Renée



Goed, dat ik de wekker om half zeven laat afgaan en op dat moment van de dag Radio1 onverbiddelijk mijn oren laat binnendringen, is een keuze. Niettemin is en blijft het nogal irritant om op het moment van ontwaken uit een al dan niet prettige droom te worden onthaald op luidruchtige radioreclame.

Nu heb ik zelden last van een ochtendziekte, maar sinds een week of wat wordt mijn humeur zwaar op de proef gesteld door een persoon die de slogan ‘Serious money taken seriously’ er nogal dwingend bij mij inhamert. Niet nógal irritant, maar zéldzaam irritant.

Het grappige is dat ik geen idee heb bij welke bank of beleggingsinstelling deze slogan hoort, dus qua werving is de reclameboodschap aan mij niet besteed. Nu wil het toeval – toeval? - dat ik geen ‘serious money’ te beleggen heb, en vermoedelijk dus geen ‘target’ voor de bewuste instelling ben. Ik behoor trouwens ook meer tot het slag dat vindt dat geld niet gelukkig maakt en zelden het woord ‘serieus’ in de mond neemt in combinatie met het slijk der aarde.

Toch blijft zo’n slogan hangen. Beroepsdeformatie, vrees ik. Als vertaalster ben ik heel gevoelig voor alles wat met taal te maken heeft, en het is dan ook een tweede natuur om wat langer bij zo’n slogan stil te staan dan hij in feite verdient.

De eerste vraag die bij mij opkomt als ik zo’n Engelse slogan hoor om een Nederlandse onderneming te promoten: ‘Waarom in hemelsnaam in het Engels?’

Klínkt het soms niet in het Nederlands?: ‘Serieus opgevat serieus geld’. Hm… nee, zo’n slogan wekt eerder de lachlust op dan dat hij wervend zou werken, bovendien beklijft hij niet, denk ik. In algemene zin is het een feit dat men zich in het Engels wat theatraler kan uitdrukken dan in het Nederlands zonder overdreven over te komen. Uit ervaring weet ik hoeveel (bloem)rijker de Engelse taal is dan de Nederlandse, en hoe gemakkelijker je er zonder gêne je emoties in kwijt kan…